De padvinderij in Nederland bestaat honderd jaar en nog altijd wordt er gezocht. Padvinderij mag je geloof ik niet meer zeggen, het heet scouting. Ik was er lid van, ooit. Mijn herinneringen.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw sloot ik mij aan bij een roedel welpen in Friesland. Op zaterdagmorgen kwamen we bijeen in een donker clubhuis, waar telkens eerst allerlei formaliteiten werden afgehandeld, zoals het roepen van ‘akela wij doen ons best, dip, dip, dip, dop, dop dop, woef’. Daarna werd er een programma afgewerkt dat voor een deel bestond uit het halen van allerhande insignes en onderscheidingen, die je nooit echt kreeg, omdat de nationale scoutingwinkel ze nooit op voorraad had. Ondertussen wist ik wel hoe ik met behulp van vlaggen een vliegtuig naar de grond moest loodsen en hoe ik een geit een mitella moest omleggen.
De padvinderij was uiteraard tot mij gekomen via de Donald Duck, waarin de neefjes van oom Donald als ‘woudlopers’ actief waren. Fikkie stoken in het bos en met allerlei handige knopen de wereld redden, het leek me schitterend. Dat was het tot op zekere hoogte ook. Het was buiten, het was ongeordend, het was soms levensgevaarlijk. Bijvoorbeeld toen een der welpen in een ondergrondse hut op het letterlijk lumineuze idee kwam een dot verpakkingsmateriaal in brand te steken om enig licht te krijgen, daar onder de grond. Levend begraven worden is één ding, maar levend begraven en tegelijkertijd gecremeerd worden, dat is nog eens iets geheel anders.
Nabij het clubhuis liep een kleine industriële spoorbaan. Dat sprak tot de verbeelding. Als ervaren woudlopers liepen we over het spoor, het leek het Wilde Westen wel. Ergens tussen de rails kwamen we een grappig kastje tegen, met daarop twee glimmende beugels. Een der welpen ging op die beugels staan en zie: een meter of vijftig verderop daalden op de overgang de spoorbomen. Een groeiende rij wachtende auto’s was het gevolg, geen der slimme padvinders kwam op het idee om voorbij de overgang op het andere kastje te gaan staan. Het verkeer in het Friese dorp was nog wekenlang ontregeld.
Uiteraard lag het woord ‘kamp’ de padvinders voor in de mond bestorven, niet de enige reden overigens waarom er zekere negatieve connotaties waren en zijn met de in uniformpjes rondstappende jeugd. Maar goed, er werd op kamp gegaan. Ik heb inmiddels een rijke ervaring met het aansteken van kampvuren. Dat gaat meestal beheerst, soms valt er wel eens een vertogen dan wel onvertogen woord. Maar de wijze waarop tijdens mijn eerste en enige padvinderskamp ’s avonds het vuur werd aangestoken tart iedere beschrijving. Liters benzine kwamen er aan te pas, alsmede een gasfles met een daarop aangesloten rubberslang, die als vlammenwerper werd gebruikt om de benzine in het drijfnatte sprokkelhout te doen ontbranden.
Dat lukte. De gitzwarte rookkolom die opsteeg verstoorde de communicatie tussen aarde en de in die tijd in gebruik zijnde O2S satelliet. Iemand wierp ter verhoging van de feestvreugde een afgesloten lege jampot in het vuur, die uiteraard explodeerde. Ik werd door een scherf getroffen in een mijner handen en ging als gevolg van de aanblik van gutsend bloed tegen de grond. De volgende morgen werd ik wakker in een tent, waarin ik de gehele nacht met mijn hoofd naast een tochtig gaas had gelegen, als gevolg waarvan ik een dubbele oogontsteking had en ik er uitzag als een aan mixomatose stervend konijn.
Scouting, da’s durven, zeggen ze in Vlaanderen. En verdomd, ze hebben gelijk.












1 Reactie
Link
Mijn moeder was al padvindster, dus ik werd uitgeloot. Omdat het toch een zeker gemis betekent, ga ik nu ieder jaar op zeurvival, maar het wordt natuurlijk nooit meer wat het nooit geweest is.