‘k Heb met iedereen ruzie. Mijn vrouw praat niet meer met me. Ik hoor haar toch niet. M’n dochtertje moet steeds huilen, zij kan niet tegen die oerschreeuw. De hond jankt mee: ieuw ieuwewieuw! De kat heb ik al een week niet meer gezien. En ondertussen beuken de buren met bezems op muren en vloeren. Tegen die vette beat in, godnondeju. En straks heb ik ook ruzie met jullie, want jullie hebben geen enkele boodschap aan een artikel over een allang vergeten kutband. Kan me allemaal niks schelen. Ik heb de eerste drie platen van TC Matic herontdekt!
Want het gebeurt zelden of nooit dat vijf zeer verschillende karakters, met vijf ver uiteenlopende muzieksmaken en invloeden, samenkomen in een band en dat uit dat samenraapsel een coherent geluid ontstaat. Een uniek geluid, zelfs, meer dan de som der delen. Waar de vonken vanaf springen. Eind jaren zestig zagen we dat in New York, bij The Velvet Underground (Lou Reed, John Cale, Nico, Sterling Morrison en Maureen Tucker). En begin jaren negentig overkwam het de Urban Dance Squad (Rudeboy, DNA, Tres Manos, Silly Sil en Magic Sticks) in Utrecht. In 1979 was het Oostende waar het gebeurde. Toen gingen zanger Arno Hintjens, gitarist Jean-Marie Aerts, bassist Ferre Baelen, drummer Rudy Cloet en toetsenist Serge Feys spelen onder de naam TC Matic.
Compromisloze grotestadsfunk
Waar kwam dat zootje ongeregeld vandaan? Baelen speelde funk in de beste James Brown-traditie. Cloet was fan van symfonische bands als Yes en Jethro Tull. Feys zat in de band van hitparadezanger Will Tura. Jean-Marie Aerts was stergitarist bij onder andere Raymond van het Groenwoud en De Kreuners. En Arno Hintjens had een matig succesvolle bluesband: Tjens Couter (waar de letters ‘TC’ vandaan kwamen, die werden aangevuld met de naam van de Joegoslavische surrealistische schrijver Dusan Matic).
“Ik druk gevoelens uit met mijn stem. Ik zing niet. Zingen is voor de veugelkens.”
(Arno Hintjens in Muziekkrant OOR, 13 januari 1982)
En waar leidde deze symbiose toe? De opener van hun titelloze debuut uit 1980, het nummer ‘Bye bye till the next time’ zette meteen de toon: keihard en swingend. TC Matic maakte compromisloze, harde en hoekige grotestadsfunk. Waarbinnen Jean-Marie Aerts onaardse atonale gitaarerupties produceerde, Serge Feys industriële klanken aan zijn synthesizerbatterij ontlokte en Arno Hintjens sloganachtige teksten de microfoon in schreeuwde. De nummers ontstonden uit spontane jams in de oefenruimte. Noem het magie, noem het stom toeval. ‘Oh la la la’, ook op hun debuutplaat, begon doordat Baelen een briljant baslijntje improviseerde. Even dansbaar als ingewikkeld. Daarop bedacht Aerts een pakkende riff. En dat ontlokte de binnenwandelende Hintjes de volgende woorden: “Oh la la la, c’est magnifique”. Et voila: een hit was geboren. “Wij speelden dat de eerste keer in Waregem en dat volk werd zot. Iedereen zei: dat moet een single worden”, zo herinnerde Hintjens zich in 2005. Het werd TC Matic’s grootste hit ooit.
Intense voordrachten
“Klaarkomen is het schoonste dat er is, spijtig dat het zo kort duurt. Maar ik heb er iets op gevonden: op een podium kan ik het rekken tot een uur. Schone job, jong, maar ik zorg ervoor dat het publiek ook klaarkomt, hè.”
(Arno Hintjens in HUMO, 23 december 1982)
Zeker in de eerste twee jaar was TC Matic live een heftige ervaring. De band speelde net zo strak als op de plaat, maar de energie die er vanaf spatte was twee keer zo groot. En de band bleef speels improviseren. Geen enkel nummer op geen enkel optreden klonk hetzelfde. En midden in de kolkende poel van geluid stond Arno zijn intense voordrachten te houden. Psychisch en fysiek hield hij het niet veel langer dan één uur uit. Gelukkig maar. Want ook het publiek zou een langere aanval op de zintuigen niet hebben overleefd.
Plat Oostends
“k Heb een kleintje, maar ’t schiet verre!”
(Uit ‘Putain Putain’, 1983)
TC Matic in Hotel Suburbia (VPRO, 1983)
Op de tweede plaat, L’Apache uit 1982, werd de wilde energie nog meer dan op de eerste plaat gekanaliseerd in songs. En die zijn sterk, met als uitschieters ‘Middle class and blue eyes’ en ‘Que pasa’. En Arno Hintjens leerde zijn oerkreten ietsje beter te beheersen. Wat de verstaanbaarheid ten goede komt. Da’s prettig, want Arno’s teksten zijn een origineel mengsel van Engels, Frans, Duits, Spaans, Vlaams en plat Oostends. Zowel in tekst als geluid klinkt TC Matic Europees. Want hun industriële funk leunt ook op chansons, volksliedjes en hoempapa. “Dat is Europa, al die verschillende invloeden. Versta je het?”, zo zei Arno Hintjens het in een uitzending van Cucamonga in 2005. “Je smijt dat samen en er komt iets uit. Dat is ons surrealisme. Als je naar een werk kijkt van Ensor, dan zitten er ook verschillende stijlen in en dat geeft iets speciaals. Dat is iets typisch Belgisch: we pakken van alles en maken er ons zootje van. Stoemp, we hebben het uitgevonden.”
Alle elementen van TC Matic werden uitgekristalliseerd op Choco, hun derde plaat uit 1983. Ook hier zetten ze weer de toon met het eerste nummer. Het motto voor Choco was: ‘If you wanna dance, dance, if you don’t, don’t’. Dus hoor je in ‘Living on my instinct’ disco en hoempa tegelijkertijd. Daartegenover staan gitaarerupties als in ‘Being somebody else’ en het jubelende ‘Arriverdeci solo’. Het knallende ‘Ha ha’ is het agressiefste nummer dat TC Matic ooit heeft uitgestoten. Maar daarna volgde meteen een ontspoorde gitaarchanson: ‘L’Amour n’est pas avec moi’. En dan was er weer een hit: het grappige ‘Putain Putain’. De oorspronkelijke versie was grotendeels in het plat Oostends. Uiteindelijk werd er gekozen voor een drietalige versie, met flarden van Eurovisie-thema. Het groeide uit tot het alternatieve Europese volkslied.
Tweede Brel
Uiteindelijk volgde er nog een vierde plaat in 1985: Yé Yé. Maar die is niet meer gemaakt door de strakke vijfmansunit die in 1979 begon. Drijvende kracht Ferre Baelen had TC Matic toen al verlaten. Bovendien werd die plaat niet door Jean-Marie Aerts geproduceerd, maar door een of andere hippe producer uit de jaren tachtig. Die mixte de drums naar voren en de zang ver naar achter, wat toen heel gebruikelijk was maar funest voor het compacte geluid van TC Matic.
De enige reden om Yé Yé nu nog in huis te halen is de prachtige chanson ‘Elle adore le noir (pour sortir le soir)’. Die luidde alvast een nieuw tijdperk in, dat van Arno Hintjens solo. In die derde carrière groeit hij uit tot een tweede Jacques Brel. Maar da’s weer een heel ander verhaal. Eentje waar ik minder ruzie om zal krijgen met de buren…













