Natuurlijk bestaan wij niet echt, dat weet ik ook wel. (We zijn imaginaire vonkjes tussen de ingebeelde synapsen van een figuurlijk bedoelde fruitvlieg in de fantasie van een verzonnen golem.) Ondertussen voelt het allemaal wel heel echt, en ja, het gaat om het gevoel.
Vakantiegevoel in mijn geval.
Ik zit in Paimpol, ergens aan de Franse Noordwestkust, nabij een oud klooster dat beetje bij beetje in zee dreigt te verdwijnen, maar zich op de een of andere manier toch steeds weer aan de rotsen vastklampt. Vanaf de buitenmuren van dit klooster is het ongeveer een uur lopen naar het stadje, over het wad. Want Frankkrijk heeft hier gewoon een waddenkust. Frankrijk doet daar alleen niet zo Unesco-achtig over. Frankrijk haalt er zwijgend zijn maaltje schelpen voor de lunch en gaat over tot de orde van de dag.
Niet eens zo’n heel mooi stadje, Paimpol, wel een fijn stadje. Is niet uit te leggen, maar u begrijpt.
De vissers hier zijn overigens ware schurken. Niet de mannetjes met de kleine bootjes. Dat zijn pittoreske poepies. Maar wel die in de grote bootjes. Die je niet ziet. Omdat ze over de hele wereld uitvaren om vis te ‘delven’. Lees de huiveringwekkende pagina’s in Benoite Groults roman Zout op mijn huid, over hoe ze koraalriffen ten zuiden van Zuid-Afrika ontkreeften.
Kun je verifieerbare kennis halen uit romans? Ik wel. Ik geloof de werkelijkheid pas als er kunst van gebakken wordt. Kunst verifieert zichzelf. (Noteert u wel even mee?)
U zou de gotische kerkjes hier eens moeten zien. Die hoge ramen, die ranke luchtbogen! Als loerende spinnen liggen ze op het landschap, de huisjes eromheen als ingesponnen prooidiertjes. Ik houd van de gotiek, omdat niets ervan valt uit te leggen. Gotiek biedt geen raakvlak met ons leven. En toch, als ik de ramen soms openzet, de spreekwoordelijke ramen bedoel ik, zijn dat altijd spitsboogramen met gebrandschilderd glas.
Op je rug liggen en langs acacia-blaadjes heen een kudde bloemkoolwolken volgen. Alles valt en kantelt. Een kind lacht. Een meeuw tuimelt krijsend naar omhoog. Een bootje pruttelt. Iemand slaat een tijdschriftpagina om en vraagt wil je nog koffie. Vakantie dus.
Terwijl ik dit opschrijf moet ik nog vertrekken, want ik neem geen leptop mee, maar als u dit leest lig ik op een bankje in het dorpshaventje, of nee, beter nog, vaar ik op een pontje naar het paradijselijke eilandje Brehát, het Schiermonnikoog van Bretagne. Daar bestel ik een kreeft uit eigen wateren. Waarschijnlijk wordt ik gewoon genaaid door die hufters en komt het beest linea rectum van een koraalrif ten zuiden van de evenaar, maar daar kan ik niks aan doen.
Ik spreid mijn armen in onschuld, trek mijn schouders omhoog, mijn mondhoeken omlaag en mompel: ‘wha can I do? I can do notting’ (Silvio Dante, Sopranos – god hebbe zijn ziel).
Nee, het is allemaal niet echt, dat weet ik.
Het is droom, het is verbeelding, het is ingehouden adem.
Het is vakantie.












