Dachten we het in dit Darwinjaar wel gehad te hebben met de bestialiteiten, komt de Boekenweek daar thematisch nog eens een partijtje meemiauwen. Nu dan, hier mijn gevoelen.
Allereerst: Heb ik iets met boeken? Ja, ik heb iets met boeken. Terwijl ik dit schrijf hoor ik achter mij diverse Ivars kreunen onder het gewicht van alles tussen Bertus Aafjes en Joost Zwagerman. Lezen doe ik ze ook nog, die boeken.
Tweedens: Heb ik iets met dieren? Dat dacht ik toch zeker wel, mits smakelijk toebereid. Daarnaast gaan er twee katten door mijn huis en zat er hedenmorgen nog een verdwaalde muis in de gordijnen. Ik ken veel vogels bij naam en blijf bij het zappen altijd even hangen wanneer er een haai door het beeld zwemt.
Maar, dat is in wezen de centrale vraag van deze week, heb ik iets met dieren in boeken? Niet aanstonds. Schrijvers die maar dooremmeren over de zelfzuchtige statigheden van hun katten, daarvan moet ik niets weten. Koolhaas las ik, maar met sprekende dieren heb ik weinig tot niets. Een dik boek van Toon Tellegen kijkt me al lange tijd ongelezen aan vanuit de Ivar, ik ben er nog niet aan toe.
Wel gegrepen raakte ik door ‘Herr und Hund’, oftewel ‘Baas en hond’ van Thomas Mann. ‘Een idylle’ is de wat verstopte ondertitel van dit boek, maar dat had ook ‘een etude’ kunnen zijn. Mann put zich in dit boek stilistisch namelijk volkomen uit in de beschrijvingen van de wandelingen van de hoofdpersoon met zijn hond Bauschan, door de weelderige natuur die zijn huis omringt. Een bescheiden citaat:
‘Hij besluit echter anders en begeeft zich met afgemeten tred naar het midden van het grasveld, waar hij zich met een bijna woeste beweging pardoes op zijn rug werpt om deze op de ondergrond van gemaaid gras te schuren en af te koelen door druk heen en weer te rollen. (…) Een moment lang blijft hij met weggedraaide ogen en zo goed als dood op zijn zij liggen. Dan staat hij op om zich te schudden. Hij schudt zich zoals alleen zijns gelijken zich schudden kunnen, zonder dat een hersenschudding daar het onontkoombaar gevolg van is, schudt zich dat het knalt en knettert, dat zijn oren onder zijn kaken klappen en zijn lippen van zijn witglanzende hoektanden vliegen’.
Op bescheiden schaal heb ik dus wel iets met dieren in boeken. Er is nog een ander dier dat ik graag in een boek tegenkom: de wesp. In een goed dik boek, bijvoorbeeld De Goelag Archipel van Solzjenitsyn. Even wachten tot hij plaatsneemt, de wesp, bij voorkeur op pagina 299, en dan keihard dichtslaan, dat boek. Want wespen, die moeten allemaal dood.
Deze bijdrage maakt deel uit van de Boekenweek op Eeuwig Weekend.














3 Reacties
Link
Leuk stuk, ben alleen bang dat de de methode ‘literatuurkiller’ niet heel efficient werkt ter bevordering van het uitsterven van de geel-zwartgevleugelden :)
Link
behalve de wesp, moet ook de poes en het paard weg. die drie.
Link
En honden die kleiner zijn dan een kat.